In mijn vorige blog schreef ik over de pruimenboom in de tuin en de keukentafel als beeld voor opvoeden. We proberen soms met een soort takkenschaar een kind passend te snoeien. Niet omdat we niet van kinderen houden, maar juist omdat we bang zijn dat het anders misgaat.
En eerlijk is eerlijk: wie kent die spanning en angst niet? We willen het graag goed doen. Als ouder. Als professional. Als school. Als kerk. Als samenleving. We willen signalen niet missen, kinderen beschermen en voorkomen dat er dingen misgaan die we achteraf hadden kunnen zien aankomen.
Maar wat gebeurt er als onze angst zo groot wordt dat we elkaar vooral gaan controleren?
Als angst onder de actie zit
Onlangs zat ik aan een tafel met professionals. Een ouder naast me, verschillende professionals tegenover ons. Gemeente, hulpverlening, de Raad voor de Kinderbescherming. Een gesprek dat vooraf al een week lang voor veel spanning had gezorgd. Er was een zorg geuit door één professional. Angst ontstond om iets gemist te hebben bij dit gezin en wat nu als… Gelukkig werd tijdens het gesprek al snel duidelijk dat verder formeel onderzoek niet nodig was. Maar daarmee was het effect van de actie niet zomaar verdwenen. Het vertrouwen bij de ouder was geraakt. Oude onzekerheden waren opnieuw opengegaan waardoor hulp accepteren moeilijk is. En de stress die een ouder al met zich meedroeg, werd nog groter. Dit is wat er kan gebeuren wanneer we handelen vanuit angst in plaats van vanuit relatie. En juist daar ligt volgens mij een belangrijke vraag voor ons allemaal:
Hoe kunnen we kinderen beschermen zonder ouders voortdurend het gevoel te geven dat ze onder een vergrootglas liggen?
Want ouders die worstelen hebben niet alleen regels en protocollen nodig. Ze hebben mensen nodig. Mensen die naast hen gaan staan.
De andere kant van de medaille
Tegelijkertijd is het te gemakkelijk om met een wijzende vinger naar hulpverlening of jeugdzorg te kijken. Wie het nieuws volgt, weet dat er ook situaties zijn waarin kinderen helemaal niet veilig zijn. Situaties waarin signalen wel degelijk gemist zijn en waarin ingrijpen noodzakelijk is. Dat maakt het ingewikkeld. We willen niet terug naar een samenleving waarin we wegkijken als het echt misgaat. We willen kinderen beschermen. Daar zijn professionals, meldpunten en soms stevige maatregelen voor nodig. Maar we mogen denk ik wel meer oppassen dat we uit angst voor het ene uiterste niet in het andere terechtkomen. Want een samenleving waarin iedereen bang is om iets verkeerd te doen, wordt geen veilige samenleving. Als ouders voortdurend denken: Wat zullen ze hiervan vinden? Wat als iemand dit verkeerd uitlegt? Wat als ik hulp vraag en het tegen me gebruikt wordt? dan wordt hulp vragen juist moeilijker. En als professionals vooral bezig zijn met risico’s afdekken, dossiers compleet maken en geen fouten maken, kan het kind achter de protocollen verdwijnen.
Veiligheid vraagt om meer dan controle. Veiligheid groeit in relatie.
Waar is ons dorp gebleven?
Er is een bekend gezegde:
It takes a village to raise a child.
Er is een heel dorp nodig bij voorkeur met een veilige haven om een kind groot te brengen, het komt regelmatig voorbij, maar waar is dat dorp gebleven? We wonen misschien dicht op elkaar, maar leven vaak behoorlijk op onszelf. Achter onze eigen voordeur, achter onze eigen schutting. We willen het goed doen en onze problemen vooral zelf oplossen.
En als het niet lukt?
Dan komt er een professional. Als er zorgen zijn over veiligheid, volgt er een melding. Als een gezin vastloopt, volgt er een aanmelding voor onderzoek en aanvullend een traject. Dat kan is situaties zeker nodig zijn. Maar het kan niet het hele dorp vervangen. Want een dorp bestaat uit iets anders. Uit iemand die een pan eten brengt wanneer het thuis even te veel is. Uit een buurvrouw die niet meteen vraagt wat er precies aan de hand is, maar gewoon zegt: “Zal ik de kinderen vanmiddag even meenemen?” Uit een opa die niet vertelt hoe hij het vroeger allemaal beter deed, maar luistert. Uit een leerkracht die niet alleen naar gedrag kijkt, maar zich afvraagt: “Wat probeert dit kind mij eigenlijk te vertellen?” Uit een kerkgemeenschap die niet alleen bidt voor gezinnen die het moeilijk hebben, maar ook daadwerkelijk naast hen gaat staan. Uit een vriend die durft te vragen: “Hoe gaat het nu écht met je?” En misschien wel uit een professional die, naast alle noodzakelijke protocollen, blijft kijken naar de mens tegenover zich.
Iets vinden in plaats van dragen
Misschien is dat wel één van de verdrietigste dingen die er is gebeurd. We zijn bang geworden voor wat er achter een voordeur gebeurt en daardoor zijn we soms vergeten dat een voordeur ook gewoon een voordeur is. Daarachter wonen mensen. Ouders die het soms niet weten. Kinderen die gedrag laten zien waar ze zelf geen woorden voor hebben. Gezinnen die hun best doen en toch vastlopen. Natuurlijk moeten we alert zijn wanneer een kind of ouder onveilig is. Maar alert zijn is iets anders dan wantrouwen. Nieuwsgierig zijn is iets anders dan naïef zijn. Grenzen stellen is iets anders dan veroordelen. Hulp inschakelen is iets anders dan een gezin het gevoel geven dat het gefaald heeft. Misschien begint een nieuw dorp daarom wel met een heel eenvoudige vraag:
“Wat draag jij vandaag eigenlijk mee?”
Niet: Dat doe je niet goed.
Niet: Waarom lukt dit jou niet?
Maar: Wat draag jij? En wat kan ik hierin betekenen?
Lev – לֵב.
Naast iemand blijven staan, ook al lijkt degene ondanks adviezen en/of hulp het nog niet anders te kunnen doen vraagt om lef hebben. Toen moest ik meteen aan Lev denken. In de Bijbel staat dat God niet kijkt zoals mensen kijken. Waar wij gemakkelijk kijken naar gedrag, resultaten en de buitenkant, kijkt God naar het hart. Het Hebreeuwse woord daarvoor is lev – לֵב. En lev betekent meer dan alleen het gevoel dat wij met ons hart verbinden. Het gaat over de hele innerlijke mens: wat je denkt, verlangt, voelt, wilt en uiteindelijk ook hoe je handelt. God ziet dus niet alleen wat er aan de buitenkant gebeurt. Hij ziet wat erachter zit. Hij ziet de ouder die uitgeput is en daardoor soms reageert zoals hij of zij eigenlijk niet wil.
- Hij ziet het kind achter het gedrag.
- Hij ziet de angst achter een boze reactie.
- Hij ziet de tranen die niemand aan de keukentafel heeft gezien.
- Hij ziet ook het verlangen van een ouder die het zo graag goed wil doen.
Dat betekent niet dat alles wat vanuit ons lev komt automatisch goed is. Soms is iets echt niet veilig. Soms moeten we begrenzen, ingrijpen of hulp inschakelen. Liefde kijkt niet weg. Maar misschien mogen we wel opnieuw leren kijken zoals God kijkt. Met aandacht voor het hele verhaal.
Zorgen moet je niet alleen maken, zorgen moet je doen
Bovenstaande is een uitdrukking van mijn werkgever en dat vraagt om moed, tegen de stroom ingaan. Want het is veel gemakkelijker om te zeggen: “Wat erg voor je.” of: “Daar moet je professionele hulp voor zoeken.” Maar misschien kunnen we soms iets dichterbij komen. Zonder oordeel naar iemand luisteren en zonder oordeel vragen stellen over hoe dit voor iemand is. Een maaltijd koken. Een kind meenemen naar de speeltuin. Een ouder uitnodigen voor koffie. Even naast iemand zitten zonder meteen met oplossingen te komen. Een kind laten merken: ik zie jou. Een ouder laten voelen: je hoeft het niet allemaal alleen te kunnen. En ja, soms betekent liefde ook dat je ingrijpt. Dat je iets bespreekbaar maakt wat moeilijk is. Dat je hulp inschakelt wanneer een kind daadwerkelijk gevaar loopt. Ook dát hoort bij een dorp. Een veilig dorp kijkt niet weg, maar het laat iemand ook niet alleen. Deze springt bij wanneer er sprake is van woorden of overtuigingen over:
- De druk van een goede ouder zijn.
- Een kind dat goed moet functioneren.
- Het huis dat op orde moet zijn.
- Je moet de juiste keuzes maken.
- Je moet signaleren wat er met je kind gebeurt.
- Je moet hulp zoeken als het niet lukt.
- En ondertussen moet je vooral niet laten merken dat je het soms ook gewoon even niet weet.
Kinderen hebben geen perfecte ouders nodig.
Ze hebben volwassenen nodig die blijven en proberen wat wel werkt.
- Die kunnen zeggen: “Ik weet het even ni
- Die fouten kunnen herstellen.
- Die kunnen luisteren.
- Die hun eigen ongemak verdragen.
- Die niet meteen alles willen oplossen.
- Die een kind niet reduceren tot zijn gedrag, maar blijven zoeken naar het kind daarachter.
In de Bijbel zie ik steeds opnieuw die beweging van God naar de mens. Niet alleen naar de keurige buitenkant, maar naar het hart. Naar verdriet, angst, falen en verlangen. Misschien mogen wij elkaar daar ook weer wat meer in ontmoeten. Vanuit een je hoeft het niet alleen te doen.
Geef elkaar de tijd om te wortelen
Kinderen groeien niet door eraan te trekken Ze groeien wanneer hun wortels de ruimte krijgen in goede grond, met water, met licht, met grenzen waar dat nodig is en vooral met tijd. Dat geldt misschien ook voor ouders en voor onszelf of je familie, buurvrouw, broer, zus of professional bent. We hoeven niet iedere onzekerheid meteen op te lossen. Niet ieder probleem direct op te lossen. Niet iedere afwijking van de norm te corrigeren. Het liefst beginnen om gewoon naast iemand te staan en een wegwijzer zijn zonder de richting te bepalen. Laten we elkaar het dorp weer gunnen. Een dorp waar we niet wegkijken als het echt misgaat, maar ook niet leven vanuit voortdurende angst, omdat we het anders doen. Een dorp waar een ouder mag zeggen: “Ik vind dit moeilijk.” En een ander niet meteen denkt: “Zie je wel.” maar zegt: “Kom, we lopen een stukje met je mee.” Want uiteindelijk hoeft niemand het alleen te doen. Niet het kind. Niet de ouder. Niet de professional.